Meditatie
Gewen u toch aan Hem
Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
Job 22 vers 21
Elifaz appelleert. Eén van Jobs beruchte vrienden. Een fiks gezegde, een stevige terechtwijzing. Naar Elifaz’ stellige overtuiging, daarin bevestigd door de andere vrienden Zofar en Bildad, moet Job tot de orde worden geroepen. Hij moet zich bekeren. In het hoofdstuk gebruikt Elifaz ferme taal, hij durft heel wat te zeggen. Hij denkt te weten waarom Job al die ellende overkomen is en hij doet er zijn zegje over. Hij wrijft Job de zonde in, hij beschuldigt hem van grove overtredingen. Job ging grenzen over. Hij bekommerde zich niet over de behoeftige naaste, zelfs heeft hij mensen naar de ogen gezien. In dit verband valt het appèl dat hij zich aan de Heere moet gewennen. De woorden zijn zeker behartigenswaardig, aan de kern van de oproep valt niets af te dingen, het past iedereen om zich aan de Heere te gewennen en vertrouwelijk met de Heere te leren omgaan. Waar het bij niemand er van nature inzit, moet het daar wel van komen. Elifaz vermaant met klem: Job, gewen u toch aan God! Elifaz gaat van de veronderstelling uit dat Job dát niet doet. Hij staat met een enorm vooroordeel tegenover Job en hij slaat zijn geslagen vriend met woorden flink om de oren. Zijn vooroordeel klopt voor geen meter, God sprak immers dat Job rechtvaardig en vroom is, oprecht en wijkende van het kwaad. Dit is radicaal anders, het is compleet ándere taal van Hem Die de harten kent en de nieren proeft. De feitelijke situatie is dat Job zelf vastgelopen is in de gebeurtenissen, hij begrijpt zijn hele situatie totaal niet, hij kan de dingen totaal niet plaatsen. Hij is ten einde raad, weet geen raad met de situatie, kan het onmogelijk met God eens worden, hij stelt zijn vragen. Elifaz meent er wel raad mee te weten, hij heeft zijn mening gevormd en heeft de dingen gewogen. Job moet zich toch eens gaan gewennen aan de HEERE.
Gewen u! Ons leven kenmerkt zich door gewenning. Dan denken we aan onze gewoonten. We hebben ze van diverse soort. De goede en de slechte gewoonten. We kennen allemaal de praktijk. We zetten een eerste stap, daarna doen we het weer en nog een keer, herhaald en herhaald, het is een gewoonte geworden. Als het om de slechte gewoonten gaat, dan is het waarschuwende stemmetje het zwijgen opgelegd, het is van kwaad tot erger gegaan. We kunnen zelf de slechte gewoonten wel woorden geven en invullen. In de praktijk kennen we ook de goede gewoonten, ook een kwestie van gewenning. Kijken we even naar de goede gewoonten in het leven met God. Het trouw aanwezig zijn in de onderlinge bijeenkomsten van Zijn gemeente. Of de momenten van stille tijd, het steevast Bijbellezen en de vaste tijden van het gebed. Goede gewoonten kunnen we opsommen en het is goed om die voor het nieuwe jaar in ere te houden.
Bij Elifaz wordt het niet op zaken toegespitst maar op de vertrouwelijke omgang met God: Gewen u toch aan Hem. Heel persoonlijk, Persoonlijk aangescherpt waar het de relatie met God betreft. Het is zaak om je te gewennen met Hem om te gaan. Het woord ‘gewennen’ komt nog in Numeri voor en in Psalm 139. De bedoeling is zeer duidelijk, het gaat erom vertrouwelijk met de Heere om te gaan en vervolgens ook heel goed bekend te zijn met de wegen van de HEERE. Geen sleur en slentergang, geen uitgesleten gewoonte, maar een bewust samengaan, samenleven, samenzijn. De intensiteit en intimiteit kenmerken het ‘gewennen’. Intens ging Daniël met de HEERE om, innig verstond hij zich met zijn God, zelfs toen een wet verbood om het aangezicht van de HEERE nog te zoeken, liet Daniël zich niet weerhouden maar deed zoals hij gewend was, hij bleef driemaal per dag zijn God aanroepen. Het was geen inhoudsloos bidden, geen gedachteloze gewoonte, het was een hartelijke ontmoeting keer op keer, op gezette tijden. Ging de Heere Jezus ook niet náár Zijn vaste en belangrijke gewoonte op de sabbat in de synagoge? De gewenning die Elifaz aanprijst en waartoe hij oproept, doet aan Henoch denken: Henoch wandelde met God. Dat is een vertrouwde bezigheid, wandelen doe je met een bekende, een ouder met het kind, een man met zijn vrouw, een vriendin met haar vriend. Dan wordt er gesproken, geluisterd, gecommuniceerd. Wandelen is een manier van omgaan vol overgave. Elifaz spoort Job aan toch vooral met God te gaan in vast vertrouwen, in ware liefde en in diepe afhankelijkheid.
Gaat dat vanzelf? Is dat makkelijk? Denk het maar niet. Dat is met het woordje ‘toch’ duidelijk. ‘Gewen je tóch aan Hem’. Job deed dat natuurlijk wel, maar het kost hoe dan ook strijd. Gewenning vraagt en veronderstelt oefening. De omgang gaat niet vanzelf maar moet steeds worden gezocht. IJveren en inzetten om de Heere meer en meer te leren kennen, geleid door de Heilige Geest. Door de HEERE gegrepen en dan jagen, najagen al meer van Hem te weten en met Hem vertrouwd te raken. Dagelijkse oefening. De godzalige levenspraktijk. ‘Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont’. Ja, ‘de verborgenheid des HEEREN’. Bidden en daarin niet vertragen, de Meester is daarin voorgegaan. Een navolgens-waardig Voorbeeld. De wil van God horen en daarnaar vragen, intens en scherp luisteren naar Gods Woord. ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Het hoeft nauwelijks gezegd te worden dat dit met strijd gepaard gaat en moeite kost. Zeker wanneer wij ervaren hoe graag wij onze eigen wegen uitstippelen. We doen niets liever dan zelf onze weg bepalen. Gods wegen zijn onze wegen niet, en Gods gedachten ook niet, eerlijk is eerlijk, Zijn kinderen merken hun verzet. Maar het is nodig, het is goed verdrukt te worden, het goud van het geloof moet blinken. God laat Zijn werk heerlijk schitteren. Het woordje ‘toch’ drukt de strijd waarmee het gepaard gaat uit maar ook het woord ‘gewennen’ zelf. Het woord dat gebruikt wordt heeft ook iets in zich van ‘zwichten’. Mensen die gewend zijn en de gewoonte hebben zichzelf te handhaven leveren ten laatste hun wapens in. Hun zelfhandhaving wordt gebroken, er is capitulatie, er is zoiets als eindelijk gezwicht net als dat ongewend kalf uit Jeremia 31. Dus wie zich aan Hem gewent, heeft genoeg aan Hem, genoeg aan Gods Zoon. Het gewennen aan Hem betekent dat we het leren ‘Mijn genade is u genoeg’, u heeft genoeg aan Mij, aan Mijn Offer. Ja, die zich aan de HEERE gewent, heeft genoeg aan Gods Lam. -5-
Dat Godslam geeft vrede. De vrede die voor de rechtvaardigen is gezaaid. De profeet zegt dat de goddelozen geen vrede hebben. Maar wie zich aan de Heere gewent en met Hem leeft, die heeft vrede. Vrede met God en met de naaste. Volkomen harmonie door God. Zovelen er door de Geest van God geleid worden, zijn kinderen Gods. De kinderen hebben vrede met God door het geloof in de Heere Jezus Christus. De Geest brengt bij Hem Die de betaling van de zonden doet. Wanneer Simeon Hem in de armen heeft en weet dat hij in Zijn handen en armen is, is hij overtuigd van de werkelijke vrede. De Heilige Geest maakt het treurende kind stil en balsemt het gebroken hart, de Heere roept: ‘Het is volbracht’. Hij spreekt van vrede en bewijst het met de getekende handen en voeten. ‘Mijn vrede geef Ik u’, ja dat is geen wereldse maar hemelse vrede. Wat de toekomst dan ook nog in zich heeft, ‘Hij zal het goede niet onthouden’. Het goede komt van boven en de Heere Jezus Christus is de volmaakte Gift. Elifaz kan van het goede spreken. Paulus weet het ook en heel zeker, want hij is in zijn leven bekend met het gebrek en de overvloed, maar voor beide werkelijkheden geldt: ‘ik vermag het door Christus Die mij kracht geeft’. Met de Heere Jezus kan hij alles aan, is geen berg te hoog en geen dal te diep, met Hem worden alle dingen geschonken. Wat een heerlijk vergezicht hebben de Zijnen ook, want wat de toekomst ook brengt, leven of dood, niets en niemand zal scheiden van de liefde Gods. De liefde is bewezen en getoond door de Vader in Zijn lieve Zoon, in Hem is alles gegeven. Ja, Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven. Een woord om dit jaar uit te leven en mee te gaan: ‘Hij zal het goede niet onthouden degenen die op Hem vertrouwen’.