Meditatie
Geleid op de weg door de woestijn
En gij zult gedenken aan al de weg, die u de Heere, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden of niet.
Deuteronomium 8:2
Een indringend bevel. Het vereist opvolging. Ons ‘amen’ zou Psalm 77 kunnen zijn, de erkenning dat de HEERE in Zijn wegen vrijmachtig is en ‘ik zal gedenken hoe de HEERE ons gunst heeft bewezen’.
Gedenken
Mozes wil met het volk terugkijken. De kinderen Israëls hebben een rijke geschiedenis, we reisden onder de beste Leiding, zegt Mozes. Een lange tijd, vele jaren, om precies te zijn veertig jaren. Daarop teruggekomen, Israël nog eens goed voorgehouden. We reisden door de huilende wildernis der woestijn naar het land Kanaän met waterbeken en fonteinen, melk en honing.
Een terugblik is de verplichting. De weg gedenken. Blijkbaar is het een matige bezigheid, een ernstig verzuim. Herkenbaar: het leed geleden, rijkdom gekregen, het leed en verdriet op de achtergrond en graag vergeten. Met rijkdom in het heden niet aan vroeger terugdenken, die tijd van armoede. Mozes sleept het volk er met de haren bij. Hij kijkt met het volk achterom: het was een bijzondere en wonderlijke weg, heel bewust door God gekozen, Hij hield Israël veertig jaren in de woestijn. Het had heel anders gekund, natuurlijk. Nota bene had de reis in plaatsvan veertig jaren kunnen zijn afgelegd en volbracht in veertig dagen. De reis hoefde echt niet zo lang te duren. Menselijk gedacht en gesproken is het geen wonder dat het volk in onvrede is. Steeds liepen de wegen dood, dan was er het een en dan het ander. Tegenslag op tegenslag, vijand na vijand. Het duurde en het duurde maar. Het schoot niets op. Heen en weer. Een hele generatie lang, veertig jaar in die verschrikkelijke woestijn. Maar: het volk was niet onverzorgd, er was hun Geleide. Dagelijks onthaald op manna. Water uit de rotsstenen. Gods zorg strekte zich zelfs tot in de kleren uit: de klederen in die veertig jaren waren niet verouderd, de schoenen bleven perfect. Israël moest echter wel blijven reizen, even halthouden en tenten opzetten, dan opbreken en weer verder reizen. Er kwam geen eind aan. Gedenkt de weg! Alleen een weg, niets dan de weg gedenken.
Actueel. Ook voor ons vandaag. Gedenkt de weg. Góds weg. Bestempeld als een woestijnreis. Vol oefening. Wat is die weg eigenlijk, hoe beschreven? Uw leven is een gestadige dood. Door onmogelijkheden gegaan, het gaat door crisispunten heen. Door de dood tot het leven. Gods trouwe zorg, dagelijks onderhouden. Op Hem aangewezen. Elke dag de lege hand bij God ophouden, gelovig afhankelijk. Leven van dag tot dag. Dit is de weg, die de Heere leidt. ‘Ik zal gedenken hoe voor dezen’, als teruggekeken en achteromgekeken wordt.
Gods doelstelling
Die veertig jaren waar Mozes met het volk op terugzag, zijn bijzondere jaren, de HEERE heeft er Zijn bedoeling mee gehad, het had een reden. We horen en lezen: Opdat Hij u verootmoedigde. Gods lessen, ze zijn en worden eindeloos herhaald. De woestijnreis in beeld. Overzien we de loop van de gebeurtenissen dan is het schering en inslag: de HEERE zorgt en het volk moppert. Een enorme tegenstelling in handelen, de HEERE en Zijn volk. Actie en reactie. Het is het volksrefrein van ‘stank voor dank’. Gods trouw is elke morgen nieuw gebleken maar Israël zingt iedere keer ‘het oude lied van ondankbaarheid’. ‘Uw trouw is groot, onze ontrouw beschamend groot’. Het is goed te zien wat in de HEERE Zijn hart was. Ook wat in het hart van het volk was. Het kwam eruit, het was zichtbaar. Het volk kreeg een harde les te zien. Het kon niets anders. Zelfontdekking. Hardleersheid in kennis van de zonde is de mens niet vreemd. Mensen denken in hun recht te staan, het recht aan hun kant te hebben, alleszins best te zijn. Het moest en moet worden geleerd: ootmoed. Niet hoog van de toren blazen, er was geen enkele reden om zichzelf een veer op te steken. Onderwijs in de zondige aard, tot verootmoediging. Tegen de donkere achtergrond van Israël schittert Zijn trouw en liefde. Het maakt klein, kleiner, zeer klein. God bekleedt de Zijnen met ootmoedigheid. Op het gebed deed Hij weer grote dingen en wonderen. Nochtans. ‘Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt’, door genade ben ik wat ik ben. Geen enkele reden tot zelfverheffing, alleen maar aanleiding tot zelfvernedering. Het is ‘door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen’. Ja, de omgang die God ook met ons zoekt, maakt klein, ‘Gij moet wassen, ik minder worden’.
Hartbewaking
Mozes heeft Israël beschamend onderwijs gegeven. De Israëlieten zijn met zichzelf geconfronteerd. De woestijntocht bracht niet zulke mooie dingen aan het licht, het volk keek in de spiegel. Wat in het hart was, is een grote ontdekking en een openbaring. Mozes’ woorden luidden: Om u te verzoeken, om te weten wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden of niet. Het is niet best wat in het hart zit en wat eruit komt, de HEERE Zelf zal een nieuw hart geven en een andere zin. Een diep verlangen om naar alle geboden van God te leven. Wat er niet is, moet er komen. Wat ontbreekt, zal Hij geven.
De HEERE wil volkomen gehoorzaamheid. Beproefd leven. Getoetst en bezocht. Het hart onderzocht. Geboden, geen daarvan gehouden, tot alle boosheid geneigd. Daarom de Heere Jezus gekomen, gezonden. ‘Zonder Mij kunt gij niets doen’. Hij is de Gerechtigheid, de Heiligheid. Gekomen om de Wet en de Profeten te vervullen. Goede werken voorbereid. Gehoorzaamheid geleerd. Het geloof wordt beproefd: in Christus zijn, Hem van harte liefhebben en dien. ‘Ik zal u een nieuw hart geven’, het maakt alles anders, volkomen anders. Ja, ‘ik heb Uw wet lief’. In het woestijnleven zingen we oprecht gemaakt tot onze God: ‘Doorgrond en ken mij, Heere! Zie, of er bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op de eeuwige weg!’