Ga direct naar de hoofdinhoud

Meditatie

 

 

De kracht van zijn opstanding

Om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding...

Filippenzen 3:10a

 

Het is de apostel te doen om de kennis van de Heere Jezus Christus. Daarover heeft hij in het voorafgaande iets gezegd. Deze kennis is voor hem alles overtreffend. Zij gaat inderdaad boven alles uit.

Vergeleken met die kennis heeft hij zijn eigen verleden leren afschrijven. In zeven trappen had hij hetgeen hem winst was beschreven: het waren stuk voor stuk dingen waarop hij roemde. Hij was een echte Hebreeër. Hij diende God naar een goed geweten. Hij zette de puntjes op de i. Hij was niet laks of lauw, maar zeer nauwgezet, enzovoort.

Lang niet iedereen kan dit zeggen. Bij Paulus was het de werkelijkheid. Maar wat hem in het verleden winst was, is hem schade en drek geworden sinds hij Christus leerde kennen.

Vergeleken met Hem waren niet alleen die zeven uitnemende kwaliteiten voor hem tot schade geworden, maar alles buiten Christus was hem zelfs drek, d.w.z. bedorven en gevaarlijk geworden. Men moet zien dat men het kwijt raakt, anders gaat het verkeerd. Alles buiten Christus: schade en drek. Paulus zet het graag overboord, omdat hij begerig is naar het ene en enige dat hem winst kan zijn: de kennis van de Heere Jezus Christus: Christus Jezus, mijn Heere!

Paulus schrijft hier niet op een leerstellige manier over de rechtvaardiging door het geloof, zoals bijvoorbeeld in de brief aan de Romeinen. Hij doet het in een zeer persoonlijk getuigenis. Daarin wordt duidelijk, dat de leer voor Paulus tegelijk leven en beleven was, een ervaring die hem deed zoeken naar dit éne: om in Hem gevonden te worden. En zo komt hij dan tot de uitspraak, die we hierboven afschreven: om Hem te kennen, en de kracht van Zijn opstanding.

Let erop dat het niet gaat om een simpelweg intellectuele kennis. Paulus spreekt over de kennis van het geloof. Daar zit het vertrouwen aan vast. En daaruit komt de liefde en de hoop ook op. De kennis, die hem voor ogen staat is die soort van verbondenheid aan Christus, die hem een bron is van voortdurend gebed: Heere, dat ik U mag kennen. En dat ik mag wassen en toenemen in die kennis. Want dat is ook een wassen

-3-

en toenemen in de genade. De aard van deze kennis is bepaald door de levende band aan en met Christus. Het is een zaak van hartelijke verbondenheid aan Hem, Wie te kennen het eeuwige leven is.

Nu gaat het Paulus met name om dat aspect van de kennis, dat zich richt op de opstanding van Christus. Dat ik Hem moge kennen als de Opgestane Heiland. En de kracht van Zijn opstanding. Het woordje “en” kunnen we vervangen door een dubbele punt. Daarbij wordt de opstanding van Christus het eigenlijke doel waarop het geloof zich richt.

Niet maar het feit van die opstanding is dan bedoeld, maar de vrucht, de krachtdadige, de effectieve vrucht van die opstanding. Het dynamiet staat er letterlijk, de kracht van zijn opstanding.

We vragen: wat is eigenlijk gesproken de kracht van de opstanding van Christus. We vatten het antwoord in drie samenhangende zaken, werkelijkheden, die het geloof bepalen.

De eerste werkelijkheid, die de kracht van de opstanding uitmaakt is de vergeving van de zonden. Wat de kracht van de opstanding is leert een mens niet eerst in de hof van Jozef van Arimathea. Hij leert het aan de voet van het kruis. Daar heeft Christus het bittere lijden volbracht. Hij heeft de dood gesmaakt in al zijn betekenissen. Maar vanwege de kracht van dit volbrachte werk wekt de Vader Hem op uit de doden. Niet Zijn goddelijke natuur deed Hem opstaan uit het graf. Niet het feit, dat Hij de Opstanding en het Leven is, maakte het geheim uit van Zijn opstandingskracht, maar de betaalde rekening was het die de Vader deed zeggen: Mijn Zoon, kom uit het graf, de schuld is betaald, de straf is gedragen, het werk is aanvaard. Ik wek U op uit de dood.

Daarom mag een christen ook niet bij het kruis blijven staan. Hij zal er knielen. Zal hij of zij echter waarlijk rust vinden, dan dient hij te bedenken dat het door lijden tot heerlijkheid moest gaan. Maar ook, dat dit lijden volbracht is door Christus. Zie, dan eerst komt er een einde aan de zelfroem, die onze rechtvaardiging in de weg staat. Dan eerst zeggen we, dat de kennis van de Heere Jezus Christus dit alles verre te boven gaat. We leren Hem kennen en de kracht van Zijn opstanding, doordat we de hand leren leggen op het volbrachte werk. En dan is er zegen, vrede en troost. Dan is er een roemen in het  kruis vanwege de opstanding uit de doden.

Maar deze roem in het kruis vanwege de vergeving der zonden, zal nimmer duurzaam zijn, wanneer de kracht van de opstanding zich ook niet openbaart in een nieuw leven. Vergeving kan er nimmer zijn zonder vernieuwing. Deze vernieuwing is openbaring van de kracht van de opstanding. Want aan het kruis is de levendmakende Geest verworven die en in Christus als in het Hoofd en in de Zijnen als in Zijn leden woont.

De kracht van de opstanding is de Geest. Hij heeft Christus uit de doden weergebracht. Hij heeft Hem eerst in de kribbe gelegd, in een geheiligd vlees, maar niettemin in een zwak en nietig vlees, dat verbroken kon worden in de dood. Maar diezelfde Geest heeft Hem ook weer teruggebracht in een verheerlijkt lichaam, in een krachtig geestelijk bestaan. De kracht van Zijn opstanding blijkt dan, wanneer wij vernieuwd worden. Op Pasen klonk het immers: het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden.

De wereld zucht onder al het oude, ook al fonkelen de dingen met een glans der nieuwheid. Sinds Adam is in feite alles oud, verouderd, verouderend en der verdwijning nabij. Maar in Christus wordt het leven nieuw, vernieuwd gelijk dat van een arend. De jeugd wordt nieuw. De moede en de zwakke wordt nieuw. Het geschiedt door de kracht van Zijn opstanding. Nieuw leven, dat geboren wordt door het geheim van de genade die mensen werkelijk vernieuwt. Het is Pasen geweest. Het is alles nieuw geworden. Ja, waarlijk: alles!

Wij zijn gewoon om hier de adem in te houden en te zeggen: wat zien we van het nieuwe? Waaruit blijkt het? Welke hoop mogen we koesteren, dat het werkelijk eens in volle heerlijkheid zal doorbreken? Ook daarop geeft de tekst een antwoord. De kracht van Zijn opstanding openbaart zich in dit leven op een heel paradoxale manier. Wij ervaren haar in de gemeenschap van Zijn lijden. Wij weten wat die kracht betekent tot vernieuwing, in de gelijkvormigheid aan zijn dood. Dat zijn zwaarwegende woorden, waartegen ons hart in verzet komt. Gemeenschap aan het lijden van Christus, het is de enige weg om te komen tot de verheerlijking.

Want daartoe stuwt de opstandingskracht allen die van Christus zijn, heen. Vergeving, vernieuwing, verheerlijking! Maar zij zijn er slechts in de gemeenschap aan Zijn lijden, waarbij ons leven de vorm aanneemt van de dood van Christus. Geen vernieuwing derhalve, zonder lijden, zonder sterven, zonder pijn, moeite en verdriet. Geen verheerlijking zonder deze intensieve verbondenheid aan de Christus van het kruis, die ons er toe brengen wil, dat we gewillig ons kruis op ons nemen en het Hem achterna dragen. Zo kan het komen tot de wederopstanding uit de doden.

Paulus spreekt daarover zeer voorzichtig: indien ik tenminste zou mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Die voorzichtigheid komt niet voort uit twijfel, maar uit de rijkdom der heerlijkheid, die soms zo ver verwijderd schijnt te zijn van de werkelijkheid van ons vergankelijke leven. Maar hij weet dat Christus eenmaal deze sterfelijke lichamen gelijkvormig zal maken aan Zijn verheerlijkt lichaam, naar de kracht, waarmee Hij alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen (vers 21). Dat is: naar de kracht van Zijn opstanding.

-

Zoek nu, lezer of lezeres, niet de vergeving, de vernieuwing, de verheerlijking op zichzelf, ofschoon uw hart er sterker naar mag verlangen, dan naar al het andere, dat slechts schade en drek is. Zoek deze zegeningen, die krachtig getuigen van de overweldigende macht van de opstanding van Christus, zoek deze dingen echter niet op zichzelf. Maar zoek ze in Christus. De tekst zegt: dat ik Hem mag kennen.

Alles wat u buiten Hem zoekt of meent te vinden is schade, om niet te zeggen: drek. Maar wie Christus zoekt. Hem zoekt te kennen, ja dat vooral, die zal ervaren in de gemeenschap met Hem, hoezeer Zijn opstandingskracht stuwt naar vergeving, vernieuwing, naar eeuwige heerlijkheid. De opstanding der doden! Waarin allen die God in Christus gezocht hebben, gevonden zullen worden, komende uit hun graven, opstaande tot het eeuwige leven. Dat ik Hem moge kennen.

                                                                              W. van ’t Spijker, 1994